![]() |
NUBIA MUSEUM GESCHIEDENIS |
![]() |
![]()
INLEIDING | GESCHIEDENIS | PLAN | OPENLUCHTGEDEELTE | MUSEUMGEDEELTE
Nubië is het gebied tussen het 1ste cataract (Aswan) en het 6de cataract (Kerri). Reeds in de oudheid werd er een onderscheid gemaakt tussen Boven- en Beneden Nubië. De moderne benaming NUBIA is afkomstig van de hiëroglief "nbt", wat goud betekent. In dit gebied waren er veel goudmijnen aanwezig. Tijdens het Oude Rijk werd dit gebied YAM of soms Ta-SETI (Het land van de boog) genoemd. Vanaf het Middenrijk werd Beneden-Nubië WAWAT genoemd (tot het 2de cataract). Boven-Nubië werd KUSH genoemd (tot het 6de cataract). Vanaf 300 v.C wordt een deel van Boven-Nubië ingepalmd door de Meroëtische koningen die er hun gelijknamig koninkrijk stichten, eerst in NAPATA en later in MEROË.
De
Protohistorie verliep parallel met deze van Egypte. Er werden in dit gebied
restanten van nederzettingen en scherven van aardewerk gevonden, afkomstig van
seminomaden die hier ongeveer 8000 v.C leefden. Ten tijde van het Oude Rijk
waren er vriendelijke contacten tussen de oude Egyptenaren en de Nubiërs.
Getuige hiervan is een decreet dat PEPI I
(2332 - 2283 v.C. 6de Dynastie) uitvaardigde waarin hij de Nubiërs roemt voor
hun vredelievendheid en hen gedeeltelijke soevereiniteit belooft. Gedurende de
6de Dynastie was Nubië niet alleen een poort naar donker Afrika maar ook een
leverancier van exotische producten zoals goud, mirre, specerijen en struisvogel
veren. De eerste Nubische ontdekkingsreiziger Harkhuf
ondernam vele expedities naar het gebied tot voorbij het 6de cataract. Op een
van zijn reizen nam hij een inheemse pygmee gevangen en schonk hem aan de
jeugdige farao PEPI II (2278 -
2184 v.C.) die opdracht gaf om de pygmee dag en nacht te bewaken tijdens de
lange reis naar Memphis (Beneden- Egypte). De eerste Nubische
ontdekkingsreiziger Harkhuf werd in Aswan in één van
de rotsgraven begraven dat zich op de westelijke oever van Aswan bevindt.
Vanaf het Middenrijk verliest Nubië zijn onafhankelijkheid en wordt het land gekoloniseerd onder leiding van AMENEHMET I 1991 -1962 v.C. 12de Dynastie). Hij bouwde een reusachtig fort nabij Semna. Deze plaats markeerde de grens van Beneden-Nubië (WAWAT) met het land van KUSH dat reikte tot voorbij het 3de cataract (Kerma). Later werd het land van Kush ingelijfd als Boven-Nubië. Hier woonden de MEDJAY die elke vorm van kolonisatie weigerden en alle Egyptische aanvallen heftig afsloegen. Uiteindelijk veroverde SENUSERT III (1878-1841 v.C) het land van KUSH met militaire hulp van de Nubiërs en onderwierp hij de MEDJAY tot slaven. De Nubiërs waren zo enthousiast dat ze SENUSERT III tot held en godheid uitriepen. Ze bouwden zelfs een tempel voor hem nabij Semna.
Vanaf deze periode nemen de Nubiërs alle gewoonten en godsdienstige rituelen van de oude Egyptenaren over. Vanaf het begin van de 18de Dynastie onder impuls van Ahmose I (1570 - 1546 v.C.) worden er onderkoningen aangesteld die regeren in naam van de heersende farao. Tijdens de bezetting van de Hyksos koningen (van de 15de tot de 17de Dynastie) worden alle Nubische en Kushitische forten en handelsposten platgebrand en vernietigd. De rust keert terug wanneer THUTMOSIS III (1504-1450 v.C. 18de Dynastie) terug normale handels betrekkingen met de Nubiërs en de Kushieten onderhoudt, al dan niet met militaire dwang. Hij promoveert Napata tot provinciale hoofdstad. Amenhotep III (1453 - 1419 v.C. 18de Dynastie) bouwt nabij Soleb een prachtige tempel. Zijn zoon, Amenhotep IV (1350 - 1334 v.C. 18de Dynastie) die later zijn naam zal veranderen in de ketterkoning Akhenaton volgt zijn voorbeeld en bouwt een bescheiden tempel nabij Sesibi.
De "Napoleon" van zijn tijd, farao RAMSES II (1279 - 1212 v.C. 19de Dynastie ) spant de kroon door in Nubië (WAWAT) en Kush niet minder dan 6 tempels te bouwen. Het tempelcomplex van Aboe Simbel wordt zijn grootste en meest megalomane bouwproject. Er worden tot voorbij het 4de cataract nog meerdere tempels en heiligdommen gebouwd ter ere van deze grootse farao. Tijdens de 21ste Dynastie roept de Thebaanse hogepriester HERIHOR zichzelf uit tot onderkoning van Kush. Later roept hij zichzelf uit tot nieuwe farao van Beneden- en Boven Egypte terwijl Ramses XI (1098 - 1070 V.C 20ste Dynastie) nog zwak regeerde vanuit Tanis. Ramses XI' s opvolger, farao Smendes (1069 - 1043 v.C 21ste Dynastie) liet oogluikend deze nieuwe generatie van priester-farao's regeren. Hij liet dit toe, daar hun macht enkel in Thebe werd erkend en hij zelf resideerde in Tanis (Beneden-Egypte). Tijdens de 25ste Dynastie werd Nubië volledig veregyptianiseerd en werden alle Koninklijke en godsdienstige rituelen zoals de Amoncultus, volledig overgenomen.
De Nubische koning Kasjta probeerde zijn macht in Egypte te versterken door de godsvrouwe en dochter van OSORKON III (787 - 759 v.C. 23ste Dynastie) SJEPENOEPET II te verplichten zijn eigen dochter AMENIRDIS te adopteren. Hiermee werd de erfopvolging verzekerd en werd Amenirdis I de nieuwe godsvrouwe. Daar PIANKHI (747 - 716 v.C.) haar broer was, werd hij als onderkoning van Nubië benoemd. Piankhi zou vanuit deze positie de macht grijpen. Als onderkoning vond hij dat het de hoogste tijd was, om orde op zaken te stellen in het verdeelde en barbaars geworden Egypte. Tijdens deze chaotische periode regeerden er drie koningshuizen tegelijkertijd vanuit Leontopolos, Saïs en Herakleopolis. Hij voerde niet zozeer een invasiepolitiek uit, maar eerder een expeditie om het Egyptische volk te bevrijden van de willekeur van deze drie vorstenhuizen. Na een korte veldslag tegen koning Nimlot en farao Tefnacht en hun respectievelijke bondgenoten werd hij de heersende farao en stichter van de Nubische-Kushitische 25ste Dynastie die regeerden over Beneden- en Boven-Egypte. Hij bleef echter regeren vanuit Napata in Boven-Nubië. Hij perfectioneerde zijn vaders vernieuwend revolutionair godsdienstig ritueel waar de Koninklijke prinses (zijn zuster Amenirdis I) permanent werd aangesteld als de godsvrouwe van Amon. Deze titel was overdraagbaar via adoptie. Op deze manier kon hij de macht van de Thebaanse hogepriesters intomen.
Hij werd opgevolgd door zijn broer SHABAKA (716 - 702 v.C.) . Na Shabaka's dood regeerden zijn twee volle neven SHEBITKU (702 - 690 V.C.) en TAHARKA (690 - 664 v.C.). Taharka was een verwoed bouwheer die in Karnak en Kawa (Boven-Nubië) verschillende tempels heeft opgericht. Intussen werd Egypte bedreigd door de veroveringsdrang van de Assyriërs. Tijdens de regeringsperiode van Taharka waren er al talrijke grensgeschillen geweest met de legers van de Assyrische koning Essarhaddon. Na Essarhaddon's dood werd hij opgevolgd door zijn zoon, koning ASSURBANIPAL. In 664 v.C. vernietigde hij Thebe en Memphis en trok met de veroverde goudschatten in een triomftocht terug naar zijn hoofdstad Nineve. De volle neef en opvolger van Taharka, Tanutamun (664 - 656 v.C) regeerde vanuit Napata over een verwoest en verdeeld Egypte. Dit was het einde van de Nubische- Kushitische 25ste Dynastie. De afstammelingen van Taharka trokken zich terug in Napata en verhuisden later naar Meroë tot voorbij het 5de cataract.
Van ongeveer 600 v.C tot 300 v.C. ontstond het Napataanse rijk. Hieruit groeide later het Meroïtische koninkrijk dat bloeide vanaf het jaar 350 v.C tot 300 n.C. De natuurlijke heuvel Gebel Barkal werd als de meest heilige plaats en regeringszetel beschouwd. Op deze plaats ontwikkelde zich het Meroïtische geschrift dat afgeleid was van het Egyptisch cursieve Demotische geschrift. Dit geschrift is tot op heden nog niet volledig ontcijferd. De piramiden van Meroë zijn een curiosum op zichzelf. Ze werden gebouwd als laatste rustplaats voor de Meroïtische koningen en als eerbetoon aan de bouwers van de vroegere piramiden van Gizeh. Dit was een herinnering aan het feit dat hun voorouders eens over Egypte regeerden.
De meest bekende Meroïtische koning was Arkamani die in het Grieks ERGAMENES genoemd werd. Hij was een tijdgenoot van Ptolemee IV Philopathor (222 - 205 v.C.) en was de voornaamste bouwheer van de nu verplaatste tempel van Dakka. Tijdens de Romeinse bezetting vanaf 30 v.C. weerstaat het Meroïtische volk verschillende aanvallen van de aanwezige Romeinse legioenen. Uiteindelijk wordt Napata geplunderd op bevel van de Romeinse gouverneur Cornelus Gallus in 29 v.C. De oorzaken van het verdwijnen van de Meroïtische cultuur en de heerschappij van hun koningen is in raadselen gehuld. Er kwam een abrupt einde aan hun rijk zonder dat er een gebruikelijke overgangsperiode was. Vanaf 500 n.C wordt het Nubische-Kushitische gebied bewoond door een nomadenstam, de BLEMMYERS genaamd. Hun graffiti kan men terugvinden op de binnenste muur van de kiosk van Trajanus op het Philae eiland in Aswan. Zij zijn de voorouders van het huidige BEJA volk. Zij waren vurige Isis aanbidders en kregen eens per jaar toestemming om op bedevaart te gaan naar de Philae tempel. De Isis verering op het eiland Philae duurde tot 551 n.C. Dit was zeer opmerkelijk daar in de rest van Egypte alle faraonische erediensten tot verboden geloof verklaard werd. Het edict uitgevaardigd door keizer THEODOSIUS (383 n.C.) was voorlopig niet van toepassing voor de bewoners van het Philae eiland en de talrijke pelgrims.
Uiteindelijk werd de Isis tempel op het Philae eiland door toedoen van het edict van keizer JUSTINIANUS (551 n.C.) voorgoed gesloten. Dit was het einde van de faraonische godsdienst. De aartsvijanden van de BLEMMYERS waren de NOBADAI die zich later tot het christendom bekeerden. Toen ze inzagen dat hun gemeenschappelijke vijand de Romeinse bezetters waren, sloten ze een verbond en bestreden ze gezamenlijk de Romeinse troepen. Op de rechtermuur van de binnenplaats van de tempel van Kalabsha ziet men een geschrift van Koning Primus Silko (ongeveer 550 n.C.) waarin hij vertelt hoe hij ten strijde trok tegen de BLEMMYERS en de stad TALMIS bevrijdde. Hij sloot later met hen een vredesverdrag. Uiteindelijk worden KEMET (Egypte), Nubië, Kush en de Soedan in 641 n.C. veroverd door de legeraanvoerder Amr ibn al-As die alle bewoners manu militari bekeert tot de Islam. De vroeg christelijke bevolking van Nubië biedt echter hevig weerstand. Na tien jaar van schermutselingen wordt er een vredesverdrag (Baqt) gesloten, waarna de christenen en de moslims vreedzaam naast elkaar leven.
In 750 n.C. vertroebelen de relaties opnieuw door de onverdraagzaamheid van de Abbassiden. In 1171 n.C. neemt Turan Shah (de broer van SALLADIN) de Qasr Ibrim vesting in en wakkert de haat tegen de christenen verder aan. De laatste Nubische koning Kerenbes wordt afgezet in 1315 n.C, waarna de moslimleider Abdallah Ibn Sanbu de macht overneemt. De bevolking bekeert zich massaal tot de islam en slechts een kleine minderheid van de bevolking blijft trouw aan het christelijk geloof. Het Nubische koninkrijk Alodia wordt in 1517 n.C. volledig veroverd door sultan Selim I. Dit is het begin van de suprematie van het Ottomaanse Rijk. In 1528 n.C. stuurt Soliman de Prachtlievende Bosnische huurlingen naar Nubië, die het fort van Qasr Ibrim innemen.
Boven-Nubië werd tijdens het Engelse koloniale bewind opnieuw een strijdtoneel waar de Engelse troepen onder leiding van generaal "Chinese" Gordon het onderspit moesten delven tegen de fundamentalistische aanhangers van de Mahdi. De crisis bij Fashoda was de laatste confrontatie tussen de imperialistische grootmachten die elkaar onderling bestreden om de rijkdommen en grondstoffen van Afrika te kunnen plunderen. De uiteindelijke apotheose was een bloedige confrontatie in Khartoum (Soedan) tussen de Engelsen en de aanhangers van de Mahdi. Later wreekte de Engelse generaal Kitchener (1850-1916) de lafhartige dood van generaal Gordon, door de opvolger van de Mahdi (Khalifa Abdullah) in 1898 te laten onthoofden tijdens de slag van Omdurman. Ironisch genoeg bezit men nu een ongelooflijke kennis over Nubië, de cultuur, de geschiedenis en de tempels, dank zij de reddingsoperatie die georganiseerd werd door de UNESCO.
Door de bouw van de nieuwe stuwdam SADD-AL-ALI in 1968 werden de bevolking en de tempels bedreigd door het wassende water van het nieuwe ontstane Nassermeer. Van over heel de wereld werd er een leger van archeologen, antropologen, architecten, fotografen en geografen opgetrommeld om een diepgaande studie over Nubië te maken en een manier te zoeken om de tempels te redden van het wassende water, om ze later op een nieuwe locatie volledig te herbouwen. Mevrouw Christiane Desroches-Noblecourt heeft door haar inzet en haar bekommernis voor de bedreigde cultuur en de kunstschatten van Nubië veel bijgedragen tot de kennis van dit fascinerend maar helaas nu verdronken en verdwenen land. Om de beknopte geschiedenis van Nubië te besluiten mag ik niet vergeten te vermelden dat na de voltooiing van de nieuwe Sadd al Ali stuwdam in 1971 het land Nubië ophield te bestaan en volledig weggeveegd was van de landkaart. Meer dan 500. 000 Nubiërs werden verplaatst naar nieuwe nederzettingen in Kom Ombo, Aswan en het Noorden van Soedan. Zij hadden niet alleen hun huizen, gronden en eigendommen verloren, maar ook hun culturele band die ze al meer dan 3.000 jaar met hun omgeving hadden. Conform hun etiquette regels trouwden ze niet met Egyptenaren en konden ze moeilijk aarden in hun nieuwe omgeving. Hun cultuur en ongeschreven taal leeft echter voort in hun harten, hun muziek en hun speciale "way of life". Deze mensen zullen u zeker charmeren door hun spontane vriendelijkheid en innerlijke rust die ze uitstralen.
![]()


