![]() |
LUXOR MUSEUM TWEEDE ZAAL |
![]() |
![]()
Een bezoek aan het Luxor museum is nooit standaard inbegrepen in het excursiepakket tijdens een Nijlcruise. Indien u over meer vrije tijd beschikt kan u zelf het museum bezoeken. Anderhalfuur tijd heeft men nodig, om het museum aan een aanvaardbaar tempo te kunnen bezoeken. Het museum is dagelijks open van 09h00 tot 13h00 en van 16h00 tot 20h00. De vrijdag is de rustdag van de moslims en dan is het museum slechts open van 09h00 tot 13h00. U kan beter ‘s namiddags na 16h00 het museum bezoeken, daar de meeste toeristen dan hun siësta houden.
EERSTE ZAAL | TWEEDE ZAAL | CACHETTE ZAAL
Thutmosis
III werd tijdens zijn ambtstermijn vereeuwigd door een anonieme
kunstenaar. Dit beeld dat zich hedentendage in het Luxor Museum bevindt, is voor
mij persoonlijk het summum van vakmanschap, verfijning en oog voor detail.
Telkens ik het museum bezoek, blijf ik gedurende een tiental minuten naar het
beeld kijken en blijf ik mij verbazen over de hoeveelheid aan details. Het beeld
is gemaakt uit dioriet (een zeer harde steensoort) en toont op een volledig
accuraat anatomisch verantwoorde wijze elke spier van het lichaam. De
mysterieuze glimlach van Thutmosis III is op een bepaalde manier vergelijkbaar
met de enigmatische glimlach van de Mona Lisa. In de uithoeken en de zijkanten
van zijn kilt of Koninklijke gesteven rok (Shendyt) werd opzettelijk geen ruimte
uitgespaard zodat zijn armen minder kans hadden om af te breken bij het
transport. De Ureaus slang die het koningschap beschermt ligt in een S-vorm
bovenop de Nemes hoofddoek. In de riem die de kilt vasthoudt lezen we in een
cartouche zijn troonsnaam: "Men Kheper Ra". Het feit dat zijn valse baard recht
is en dat hij zijn linkervoet naar voren heeft gezet bewijst dat het beeld werd
vervaardigd tijdens zijn ambtstermijn. Indien zijn valse baard krom was, hij de
handen op zijn borst kruiste en de voeten naast elkaar stonden, verpersoonlijkte
hij de Osisirisvorm en werd het beeld na zijn overlijden gemaakt. Helaas zijn de onderbenen verdwenen alsook
de twee Koninklijke
scepters (lotusstelen) die hij vasthield. Dit sublieme standbeeld mag als het
hoogtepunt van de beeldhouwkunst van de 18de dynastie worden beschouwd. Het
beeld werd gevonden in de eerste hof van de Karnak tempel en met name de
'cachetten' in 1904 tijdens restauratiewerken die duurden tot
1909.
In
het midden van de zaal treffen we een ander hoogtepunt en tevens zijnde
pronkstuk van het museum aan. Dit massief blok volledig gemaakt uit albast,
stelt Amenhotep III voor, die het levensteken Ankh
ontvangt van de krokodillengod Sobek. Dit dubbel
beeld werd gevonden in de oude stad Soemenenoe nabij het oude Thebe in
1970.
Ramses II heeft later het beeld geüsurpeerd door er op
een nogal grove wijze zijn cartouches in te laten beitelen. De gelaatstrekken
zijn onmiskenbaar deze van een zeer jeugdige farao Amenhotep III. De farao
draagt de 'menes' hoofddoek, een gesteven Koninklijke kilt die men aanduidt als
een 'shendyt'. Het feit dat de farao zijn handen op zijn kilt laat rusten en met
zijn rechter voet voorwaarts afgebeeld staat, duidt aan dat hij actief regeerde
toen het beeld gemaakt werd. De krokodillengod Sobek draagt de samengestelde
Atef kroon met de zonneschijf en de gedraaide ramshoren van Amon met de twee
pluimen erin verwerkt. De afgevallen snuit werd tijdens de
22ste Dynastie door
de priesters weer hersteld. Opmerkelijk is het feit dat de linkerarm van Sobek
doorloopt achteraan het dubbelbeeld en op de schouder rust van de farao.

Het belangrijkste thema in het Luxor
Museum zijn ongetwijfeld de vondsten die werden opgegraven in de tempel van
Karnak en die toebehoorden aan de ketterkoning AKHENATEN.
Behalve de stenen blokken (slechts 283 gereconstrueerd) waar men
gedetailleerde
scene"s op kan bewonderen van onder andere dwangvoeding van een rund, een
schrijver die inventariseert, offerdragers, edelsmeden, tempelbewaarders die het
stof vegen, zijn de twee meest in het oog springende beelden deze van
AKHENATEN zelf. Links afgebeeld toen hij nog Amenhotep IV was en
rechts in de traditionele Amarna stijl afgebeeld, waarbij hij een langgerekt
androgyn uiterlijk bezit met dikke lippen en een vervormde schedel.
Verder
kan men in het museum nog een collectie vaatwerk bekijken afkomstig uit de
prehistorische en Pre-Dynastieke tijd. Enkele voorwerpen uit de Romeinse en de
Koptische tijd in de vorm van munten en zilveren geldstukken zijn ook de moeite
waard om te bekijken. Eén voorwerp dat recentelijk de laatste jaren mijn
aandacht trok, is een beeldje gemaakt uit bijenwas, dat wonderlijk genoeg de
tand des tijd heeft doorstaan. Het stelt Ramses XI
voor die met de godin Mâat ogenschijnlijk een
praatje slaat. Niet alleen is het medium 'bijenwas' zeer uitzonderlijk en uniek
te noemen, maar is ook de pose die de farao aanneemt heel onorthodox te noemen.
Het werd door de egyptoloog John Romer ontdekt in het graf van
Ramses XI in 1978
tijdens opgravingen. Door de jaren heen werden er steeds nieuwe collecties
toegevoegd aan dit heel mooie museum. Wat ons meteen brengt bij geheel
onverwacht en interessant nieuws. Sedert 9 maart 2004 is een vermiste
farao teruggekeerd naar het museum. Dit is waarlijk een verhaal dat gedurende
een tijdspanne van meer dan 130 jaar zich heeft afgespeeld en dit met de nodige suspense.
De terugkeer van Ramses I
Iedere
Egyptische gids heeft gedurende decennia aan de toeristen verkondigt dat
de mummie van Ramses I nooit werd teruggevonden.
Anno 2005 is de Koninklijke mummie van Ramses I
terug in Luxor en met name in het Luxor Museum. Het verhaal begint ten tijde van
de 22ste dynastie. De priesters waren ten zeerste bekommerd om het welzijn van
de Koninklijke mummies die bedreigd werden door grafplunderaars. In een schacht
in één van de zijvalleien van de Deir-El-Bahari vallei werden bijna alle
heersers van de 18de en de 19de dynastie in een cache door hen verborgen.
Abd-er-Rassul
Ahmed was behalve een eenvoudig geitenhoeder, ook af en toe actief
als strandjutter of in dit geval een woestijnjutter.
Zijn buit was altijd mager
en bestond voornamelijk uit amuletten die hij her en der in de rotsspleten kon
vinden. Op een dag was hij zijn geiten aan het hoeden in de buurt van de
Deir-El
Bahari vallei en welbepaald in één van de zijwadi's. Eén van zijn geitjes was
naar boven geklommen en was in een rotsspleet gevallen. Het dier mekkerde en
maakte enorm veel kabaal. Al vloekend en sakkerend klom Abd-er-Rassul Ahmed
geheel tegen zijn zin naar boven. Uit nieuwsgierigheid, klom hij dieper in de
rotsspleet en ontdekte dat dit door mensenhanden was uitgegraven en dat hij een
graf uit de oudheid had ontdekt. Hij ontstak een toorts. Groot was zijn
verbazing toen hij in de laatste kamer de inhoud ervan kon aanschouwen. Het
verloren gelopen geitje was plotseling van geen belang meer. Toen dacht Ahmed
diep na. De zwarte markt voor antieke voorwerpen was in Egypte door de eeuwen
heen, altijd heel bedrijvig geweest. In de periode vanaf
1875 begon er zich
echter een geheel nieuw patroon te ontwikkelen waarbij exclusieve papyri en
Ushabti beeldjes van uitzonderlijke kwaliteit her en der in de wereld plotseling
uit het niets opdoken en in handen vielen van privé verzamelaars en de "Filthy
Rich". Er was iets aan de hand in Egypte, op het gebied van antieke voorwerpen
die afkomstig waren uit Koninklijke graven. Op deze
website kan u het verhaal verder lezen in de rubriek Deir-El-Bahari, de DB 320
Cache. Uiteindelijk heeft men via geschreven bronnen ontdekt dat
Abd-er-Rassul Ahmed
de mummie van Ramses I verkocht
had aan een Canadese avonturier genaamd James Douglas in 1860 voor 7 Egyptische
Pond (toen het jaarloon van een Egyptische ambtenaar) . Hij nam de mummie naar
Canada en verkocht deze door aan een onbekende dokter die het op zijn beurt
doorverkocht aan het Niagara Falls Museum dat gelegen is nabij de Niagara
watervallen juist op de grens van Canada en de Verenigde Staten. Daar lagen nog
meerdere Egyptische mummies tentoongesteld, al dan niet afkomstig van
Abd-er-Rassul Ahmed.
Meer dan 130 jaar passeerden en niemand was daadwerkelijk geïnteresseerd in dit
kleine museum. In 1994 bezocht de egyptoloog en geschiedkundige
Arne Eggebrecht dit museum in verband met vermoedens
dat één van de mummies Koningin Nefertari zou kunnen zijn. Het eerste trok hij
meteen in twijfel. Groot was zijn verbazing toen hij op één van de mannelijke
mummies Koninklijke regalia ontdekte.

Om zijn reputatie niet meteen naar de vaantjes te helpen, zweeg hij over dit feit dan ook heel wijselijk. In 1999 sloot het Niagara Falls museum zijn deuren en werd de volledige collectie door het Michael C. Carlos Museum in Atlanta opgekocht. Museumdirecteur Peter Lacovara was in zijn nopjes met deze nieuwe aanwinsten. Door omstandigheden werd Arne Eggebrecht opnieuw gecontacteerd om de mummies te onderzoeken door middel van röntgenstraling. Uiteindelijk kwam men tot de conclusie dat het wel degelijk de mummie van Ramses I betrof. Dit nieuws kwam spoedig ter ore van de aasgier der aasgieren, de zichzelf verklaarde paus van de egyptologie, Doctor Zahi Hawass. Met de nodige sponsoring, media reclame en vooral dat hij zelf veel op de Amerikaanse televisie in beeld zou komen, werd de mummie in 2004 naar het Cairo museum overgebracht. Op 9 maart 2005 werd de mummie definitief ondergebracht in het Luxor Museum. Om absoluut zeker te kunnen zijn van het feit dat het wel degelijk de mummie van Ramses I betrof, zou een DNA vergelijkende test met zijn zoon Seti I honderd procent uitsluitsel kunnen geven. Professor Arne Eggebrecht overleed op 8 februari 2004 op 68 jarige leeftijd en heeft hij de terugkeer van Ramses I naar Luxor niet meer kunnen meemaken.
![]()


