![]() |
EXPLORERS HOWARD CARTER (1874 - 1939) |
![]() |
![]()
In deze rubriek belicht ik 'Beroemde Reizigers' die de studie van het Oude Egypte door de eeuwen heen voor altijd hebben beïnvloed, hetzij door hun passie, hetzij door hun drang naar roem en erkentelijkheid. Klik op de foto's om een beknopte biografie te kunnen lezen. In de toekomst zullen er meer biografieën verschijnen.
![]()
Howard
Carter werd geboren in een chique wijk in Londen
(Kensington) op 9 mei 1874.
Hij was de jongste zoon van de kunstschilder en illustrator John
Samuel Carter die reeds negen kinderen had verwekt. Hij was het
laatste kind dat geboren werd. Howard Carter had een zwakke gezondheid
en werd door zijn moeder Martha Joyce Sands naar het
platteland gestuurd, in de omgeving van Norfolk, om
daar verder opgevoed te worden door zijn naaste familieleden. Ondanks
zijn redelijke intelligentie waren zijn studieresultaten echter
minimaal en heel pover. Hij maakte toevallig kennis met de adellijke
familie Amherst die in het kasteel van
Didlington resideerden. Zij bezaten een immense collectie
antieke Egyptische voorwerpen. Hij raakte door deze
collectie enorm gefascineerd en begon op deze wijze langzaam zijn
interesse voor de egyptologie te ontwikkelen. Dit belangrijk feit zou
zijn carrière van een eenvoudig amateur egyptoloog tot een
bekend egyptoloog verder stimuleren door toevallige
gebeurtenissen en ontmoetingen met andere egyptologen.
De
adellijke Amherst familie stelden hem voor aan
de egyptoloog Percy Newberry die verbonden was
aan het Egypt Exploration Fund. Dit
wetenschappelijk fonds werd eerder door Amelia Edwards
gesticht in 1881.
Zo kon hij op 17 jarige leeftijd een studiereis
naar de graven van Beni Hassan ondernemen.
Egypte had hem voorgoed bekoord. Begiftigd met dezelfde
artistieke gaven als zijn vader, vervaardigde hij ter plaatse
gedetailleerde aquarellen. William Flinders Petrie,
de vader van de moderne egyptologie, was niet onder de indruk
van zijn magere kennis van de egyptologie en stuurde hem terug
naar Engeland met de mededeling "Uw kennis is ondermaats".
Door deze vernedering werd hij later in zijn leven heel nors en
wantrouwig tegenover professionele egyptologen. Hij liet zich
echter niet ontmoedigen en keerde vele malen naar Egypte terug
om er ter plaatse als landschapsschilder en illustrator te
werken. Uiteindelijk werden zijn kunstwerken enigszins opgemerkt
en begon hij in Engeland enige bekendheid te verwerven. Dankzij
de invloedrijke Amherst familie kon hij zijn
droom waarmaken en voorgoed naar Egypte terugkeren om er zich te
wijdden aan de studie van de egyptologie.
Jaren
later werd hij benoemd tot hoofdopzichter
van het Serapeum in Sakarah.
Door een schermutseling met veertien Franse
dronken toeristen die hij de toegang weigerde
tot de site op 8 januari
1905 (ja, ja... toen gebeurde dit ook
al) werd hij ontheven van zijn functie. Omdat hij zich
daarna weigerde te excuseren werd hij 'personae
non grata' verklaard. Zonder een cent op zak
woonde hij in Luxor (nabij het dorpje
Qurnah) in armoedige omstandigheden
waar hij af en toe een schilderopdracht van rijke
toeristen aanvaardde. De ontmoeting met de rijke dandy
en tevens amateur egyptoloog Lord George,
Edward, Stanhope, Molyneux Herbert Vijfde graaf
(Earl) van Carnaervon zou zijn leven
voorgoed veranderen. Met de bijkomende financiële hulp
en invloed van de rijke Amerikaan Theodore Davis
werden er in de Vallei der Koningen
door hen beiden opgravingen uitgevoerd. Ze werden
vrienden voor het leven. Hun samenwerking zou leiden tot
de beroemdste ontdekking van deze eeuw, namelijk het
graf van Tut-Ankh-Amon en de daarin
aanwezige schatten. Maar het zou nog 10 lange
jaren duren voordat Howard Carter het graf zou
ontdekken. Hij zou letterlijk en figuurlijk iedere
vierkante centimeter van de oostelijke wadi van de
Vallei der koningen laten omspitten. Het graf lag bedekt
met metershoog puin, afkomstig van het graf van
Ramses VI. Dit feit vond eeuwen geleden plaats.
Howard Carter kon deze hindernis
onmogelijk voorzien en beschikte toen niet over
gesofisticeerde apparatuur zoals een sonar om holle
ruimten op te kunnen opsporen. Voordien in
1907, had
Edward Russel Ayrton (die in vijf
werkseizoenen dertig graven had ontdekt) in de omgeving
van het graf van Ramses VI reeds
opgravingen verricht en had hij op een haartje na het
graf van Tut-Ankh-Amon gemist. Dankzij het geglazuurde
aardewerk dat hij in de nabijheid had gevonden (met de
cartouche van Tut-Ankh-Amon
erop), kon Howard Carter hieruit concluderen dat het
graf in de onmiddellijke nabijheid moest liggen.
Gedurende tien seizoenen (in de
wintermaanden) werden er opgravingen verricht. Na het
vinden van de "Balseming Cache" nabij
het graf van SETI I
in 1907
werd het koningszegel van farao
Tut-Ankh-Amon er ter plaatse gevonden. Dit was
een hoopvolle aanwijzing dat het graf nog onontdekt en
in ongeschonden toestand zou kunnen zijn. Helaas
begonnen de financiën en het geduld van Lord
Carnaervon op te raken. Howard Carter
smeekte zijn sponsor om nog één seizoen te graven. Op
4 november 1922
ontdekte een jonge Egyptische arbeider de eerste van
twaalf treden. Tegen de avond werd de ingang blootgelegd
en wist Howard Carter voor honderd
procent zeker dat hij het eigenlijke graf had gevonden,
waar hij al meer dan twaalf jaar koortsachtig naar had
gezocht. Hij beval onmiddellijk de sluiting van het graf
en verwittigde hij onmiddellijk zijn weldoener
Lord Carnaervon die in Highclere Castle
in Engeland verbleef. Hij deed dit uit respect voor zijn
weldoener, vriend en geldschieter die hij de eer te
beurt liet om als eerste het graf te betreden. Dit
volgens de geschiedenisboekjes. De waarheid is echter
een tikkeltje anders verlopen dan de geschiedenisboeken
hebben vermeld.
Toen
de ongeschonden ingang werd blootgelegd, staakte hij de
werken en telegrafeerde hij naar zijn weldoener. In
aanwezigheid van de pers, hoogwaardigheidsbekleders en
Lord Carnaervon werden de
onaangeroerde zegels verbroken op
25 november 1922. Bij het licht
van een flikkerende kaars kijkend door een smalle
opening sprak hij de vier onsterfelijke woorden:
"I see wonderfull things". Toen
Lord Carnaervon in
1923 aan de
gevolgen van een geïnfecteerde beet overleed,
veroorzaakt door een muskiet, werd de
mythe van de vloek van de farao
geboren. Howard Carter zou nog tien
jaar van zijn leven wijdden aan het catalogiseren en het
onderzoeken van de kunstschatten. Het mooiste voorwerp
uit de collectie is ongetwijfeld het beroemde
dodenmasker, dat voor iedere kandidaat reiziger naar
Egypte een typisch uithangbord is geworden. Persoonlijk
vind ik de troon van Tut Anch Amon veel
mooier en kunstzinniger dan het masker zelf.
In
de antichambre vond men ontelbare
voorwerpen die in zeven haasten, op een hoop werden
gegooid net alsof de begrafenis zeer vlug moest
gebeuren. Voor de geplaasterde toegang muur naar de
eigenlijke grafkamer hielden twee levens grote beelden
van Nubiërs (Ka beelden) met de
gelaatstrekken van
Tut Anch Amon de wacht.
Howard Carter
verwijderde de plaasteren muur. Hij zou nog maanden werk
hebben om de drie in elkaar passende kisten
uit de granieten sarcofaag te hijsen. De eerste
doodskist was 2.2 meter
lang en was van verguld hout
gemaakt. De tweede doodskist was versierd met
halfedelstenen. De derde doodskist was gemaakt van
22 karaat goud en woog
1.170 kg.
Alleen het gewicht in goud was een fortuin waard. Door
het feit dat Howard Carter op een
weinig wetenschappelijke manier de mummiewindselen
verwijdderde, werd de mummie op een onherstelbare wijze
permanent beschadigd. Dit is de voornaamste reden waarom
de mummie zich nog steeds in het graf bevindt. Bij
eventueel transport zou de mummie tot stof vervallen en
zouden de ledematen er gewoon afvallen. Het hoofd had
Howard Carter al op een brutale wijze
losgewrikt van het lichaam om het masker te kunnen
bemachtigen om het te kunnen reinigen van eeuwenoud stof
en vuil.
Men
vond rond de hals van de mummie meerdere
bloemenkransen die na
32 eeuwen nog steeds hun vage
kleuren vertoonden. De troon is ongetwijfeld de tweede
mooiste schat. Op de achterkant van de troon zien we hoe
zijn vrouw ANCHESENAMOEN
(en tevens halfzuster) zijn lichaam inwrijft met
kostbare zalven. Al deze kunstschatten zijn nu
ondergebracht in een aparte afdeling in het
CAIRO MUSEUM en
zijn zeker de moeite waard om te bezoeken. Hierbij doe
ik een dringende oproep om het
GRAF ZEKER NIET TE BEZOEKEN,
omdat de schatten zich in het museum bevinden en er in
het graf absoluut niks is te zien. U spaart er veel geld
mee uit draagt u bij tot de verdere conservering van het
graf dat al te vaak overspoeld wordt door de toeristen
die met hun transpiratie de muurschilderingen van het
piepkleine graf meer en meer aantasten. Vanaf
februari 2001
is het trouwens verboden dat de gidsen hun uitleg in de
graven zelf geven. De Egyptische dienst voor
Antiquiteiten is met deze maatregel er wel een beetje
laat mee (20 jaar), daar de grootste schade al heeft
plaatsgevonden en de schimmels meer dan de helft van de
muurschilderingen heeft aangetast.
![]() |
![]() |
![]() |
-->
-->
![]() |
| NEMES HOOFDDOEK | IBES PRUIK | KHEPRESH HELM | RODE KROON |
Beeld -1-
Hij draagt een Nemes hoofddoek
met daarop de Ureaus.
Beeld -2- Hij draagt de
donkerblauwe Ibes pruik wat
hem enigszins doet lijken op de grote kindervriend
Michael Jackson. De Koninklijke kromstaf (Nekha)
en vlegel (Nekhakha)
ontbreken hier. Waarschijnlijk werden ze beschadigd
tijdens het transport.
Beeld -3- Hij
draagt de blauwe Kepresh
oorlogshelm.
Beeld -4- Hij draagt de
Rode Kroon van Beneden
Egypte die met bladgoud werd bedekt, zodat ondanks de
benaming, de rode kleur niet aanwezig is.
In ieder graf werden er steeds zonder uitzondering USHABTI beeldjes geplaatst. De letterlijke betekenis van deze beeldjes is "Beantwoorder". Ze vervulden de dagelijkse taken van de farao in het hiernamaals. Voor iedere dag van het jaar was er één of meer beeldjes aanwezig die deze taken moesten uitvoeren. Voor elk seizoen, maand en week was er een chef Ushabti die alles coördineerde. Meestal waren deze beeldjes zeer eenvoudig en rudimentair van opmaak. In het graf van Tut-Ankh-Amon heeft men beeldjes gevonden van zeer uitzonderlijke kwaliteit die de gelaatstrekken van de jeugdige farao tot in de kleinste details weergeven.
DE SOMBERE EN DONKERE JAREN
Howard
Carter spendeerde de rest van zijn leven met
het catalogiseren van de kunstschatten en het
ontmantelen van de in elkaar passende schrijnen en
sarcofagen. Daar hij een amateur egyptoloog was, kende
hij niet precies de juiste conservering
technieken om de kwaliteit van de mummie te
bewaren. Door de eeuwen heen had de zwarte
peklaag zich vastgehecht aan de mummie
windselen en de tere huid van het lichaam zelf.
Na maandenlang tijdrovend prutswerk uitgevoerd te
hebben, verloor hij zijn geduld en rukte hij op een dag
het gouden masker met geweld los, met als resultaat dat
het hoofd loskwam van de romp. Daar de peklaag volledig
verdwenen was begon de toestand van de mummie met de
jaren te verslechteren. Howard Carter
bezat wat men in het Frans "un mauvaise
charactre" noemt. Hij was dan ook zeer
opvliegend en verdroeg geen enkele kritiek van
buitenstaanders. Er ontbraken enkele waardevolle items
uit het graf. Boze tongen van die tijd beweerden dat hij
ze voor grof geld heeft verkocht als appeltje voor de
dorst. Tijdens zijn werkloze jaren in Qurnah
bezondigde hij zich reeds aan het verkopen van antieke
voorwerpen op de zwarte markt. Nadat alle voorwerpen
gecatalogiseerd en verscheept naar het Cairo
museum waren, begon hij te werken aan zijn opus
magnum, de totale beschrijving van zijn levenswerk,
gebundeld in meerdere boekdelen.
Door
jarenlang in stoffige graven gewerkt te hebben kreeg hij
echter problemen met zijn gezondheid en leed hij aan
zware ademhaling moeilijkheden. Van zijn levenswerk kwam
er dan ook niet veel terecht. Hij vulde zijn tijd dan
ook met het geven van lezingen in Amerika
en het aanpappen met lokale Europese adellijke kringen
waar hij hen 's avonds amuseerde met kleurrijke en
angstaanjagende verhalen uit Egypte. Hij stierf in zijn
herenhuis, Albert Court 48 in
Kensington (Londen) rechtover het
Albert Theatre op
2 maart 1939. Hij had echter nooit enig
vrouwelijk gezelschap in zijn leven gekend. Over zijn
privé leven wisten de Engelse persmuskieten dan ook niet
veel daar hij enkel en alleen als de ontdekker van het
graf werd gevierd. Jaren later werd hij dan ook als oud
nieuws en als een oninteressante figuur door het publiek
beschouwd. In zijn testament bepaalde hij dat zijn privé
collectie van antieke voorwerpen en al zijn persoonlijke
notities en aantekeningen overgedragen werden aan zijn
verre nicht Phyllis Walker. Zijn villa
en werkplaats (Castle Carter) nabij de
Vallei der Koningen, werd eigendom van het
Metropolitan Museum in New York.
Zijn privé collectie raakte dan ook versnipperd over
verschillende musea in de wereld (o.a. het
Belgische Cinquantiere Museum). Zo had de
zogenaamde vloek van Tut-Ankh-Amon dan
toch zijn werk gedaan. Op een piepklein stokoud kerkhof
net buiten Londen bevind zich nog steeds zijn eenvoudig
graf met enkel daarop het verweerde moeilijk leesbare
opschrift: "Howard Carter - Archeoloog
Egyptoloog - geboren in
1874 en gestorven in
1939". Van
een reusachtig mausoleum waar hij zo intens op gehoopt
had, was er totaal geen sprake.












