EXPLORERS

GIOVANNI BELZONI (1778 - 1823)

           


In deze rubriek belicht ik 'Beroemde Reizigers' die de studie van het Oude Egypte door de eeuwen heen voor altijd hebben beïnvloed, hetzij door hun passie, hetzij door hun drang naar roem en erkentelijkheid. Klik op de foto's om een beknopte biografie te kunnen lezen. In de toekomst zullen er meer biografieën verschijnen.

BELZONI (getekend door Maxim Gauci 1820)Giovanni Battista Belzoni werd geboren in Padua (Italië) in het jaar 1778. Hij was de zoon van een barbier en was niet bepaald een doetje tijdens zijn puberjaren. Op 16 jarige leeftijd loopt hij  van huis weg en probeert in Rome werk te vinden, met als gevolg twaalf ambachten en dertien ongelukken. Ten einde raad probeerde hij in een klooster binnen te treden. De broeders wezen hem resoluut de deur als zijnde totaal ongeschikt. Hij begon aan een aantal omzwervingen doorheen Europa als circusartiest. Hij noemde zichzelf de "Patagonian Samson" en trad in 1803 met een circusact in Londen op. In het Sadlers Wells Theatre vormde hij een levende piramide door meer dan 11 mensen in een speciaal harnas op zijn rug te laten plaatsnemen. Hij was meer dan 2 meter lang en had de reputatie van een krachtpatser te zijn. Hij werd gefascineerd door de vele verhalen die hij over Egypte had gehoord en de eventuele fabelachtige goudschatten die er begraven zouden kunnen liggen via circusartiesten en duistere figuren die hij had ontmoet gedurende zijn zwervend bestaan. 


Hij raakte het circusleven beu en reisde in het gezelschap van zijn Engelse vrouw Sarah en hun Ierse knecht James Curtin naar Malta in 1815. Daar maakte hij nader kennis met een agent en vertegenwoordiger van Mohamed Ali. Hij overtuigde Belzoni om met hem mee naar Egypte te reizen en zijn kennis van de hydraulica aan Pascha Mohamed Ali aan te bieden. In Cairo werkte hij lange tijd aan een revolutionair irrigatiesysteem dat 6 maal meer water transporteerde dan een gewone eeuwenoude "sakiah". De adviseurs van de Pascha Mohamed Ali waren niet gediend met deze moderne uitvinding en vreesden dat Belzoni hierdoor te veel invloed aan het hof zou krijgen. Zijn uitvinding werd resoluut geweigerd en zo kwam hij zonder één cent op zak, op straat te staan. Hij was bijna van plan om met zijn laatste geld naar Engeland terug te keren. Zijn vrouw Sarah was reeds lang voordien naar Engeland teruggekeerd daar ze heimwee kreeg.


Gelukkig was het lot hem goedgezind. In diezelfde periode werd Sir Henry Salt (1780-1827) tot consul-generaal van Egypte benoemd. Hij was een begenadigd kunstschilder die in opdracht van rijke Engelse Egypte reizigers tegen klinkende munt hun zelfgemaakte reisjournaals van prachtige illustraties voorzag. Hij had een enorme belangstelling voor de kunstschatten van Egypte. Helaas was die belangstelling uitsluitend van commerciële aard. De corrupte en geldhongerige Sir Joseph Banks die tevens adviseur van het British Museum was, stelde Henry Salt voor, om van zijn machtspositie misbruik te maken om zoveel mogelijk kunstschatten naar Engeland te transporteren (lees stelen !).

Henry Salt (getekend door J.J. Halls)       Bernardino Drovetti      

            Sir Henry Salt                        Bernardino Drovetti               Jakob Burckhardt

Dus was Henry Salt naarstig op zoek naar agenten die voor hem het vuile werk zouden opknappen.  Op voorspraak van zowel de Zwitserse ontdekkingsreiziger Jakob Ludwig Burckhardt en de Italiaanse kolonel Bernardino Drovetti die later Belzoni's beide aartsrivalen zouden worden, werd hij belast met een eerste vetbetaalde opdracht in Egypte. Iedere consul-generaal in Egypte kon een "firman" van de Pascha bekomen. Deze "firman" (een Perzisch woord dat bevel betekent) was een geschreven vrijgeleide dat men in een bepaald gebied naar hartenlust opgravingen kon verrichten (lees plunderen). Pascha Mohamed Ali deelde kwistig deze "firmans" uit omdat hij daarvoor in ruil westerse hulp en technologie kreeg, die hij gebruikte om Egypte te kunnen moderniseren.


RAMMESSEUM getekend door Belzoni zelfIn die tijd kon niemand de hiëroglyfen lezen en gaf men fictieve namen aan de Oud Egyptische monumenten. Slechts na het jaar 1822 zou men dank zij de ontcijfering van het hiëroglyfenschrift door Jean-François Champollion in staat zijn om elk monument zijn daadwerkelijke naam te geven. Belzoni kreeg als eerste opdracht om de buste van de "Jonge Memnon" (Ramesseum) naar Engeland te transporteren. Op 22 juli 1816 arriveerde hij in het Ramesseum. Gewapend met zijn "firman" (vrijgeleide) begon hij lokale arbeidskrachten aan te werven. Door gebruik te maken van houten hefbomen en sleden was hij in staat om de enorme kolos naar de oever te slepen, waar hij deze op barges kon hijsen. De lokale bevolking dacht dat Belzoni over toverkracht beschikte om een dergelijk reusachtig beeld in beweging te krijgen. Hij gebruikte slechts zijn kennis van de hydraulica en het gebruik van hefwerktuigen. Uiteindelijk bereikte de buste na maanden reizen zijn bestemming en pronkt hij nu nog steeds aan de ingang van het British Museum


Kingston Lacy, DorsetTerwijl de buste stroomafwaarts dreef, vond hij voldoende tijd om intensief Karnak en zijn tempels te plunderen. Hij verscheepte een dozijn standbeelden die de leeuwinnengodin Sekhmet voorstelden, alsook een zittend beeld van Seti II in albast. Hij reisde naar Aswan waar hij de zandstenen obelisk van de Philae tempel naar Engeland verscheepte. Het is niet toevallig dat het landgoed (Kingston Lacy in Dorset, Engeland) waar de obelisk nu staat, (zie foto hiernaast) toebehoorde aan de corrupte en geldhongerige Sir Joseph Banks in wiens naam en opdracht Belzoni roofde en plunderde. Hij hoorde toevallig in Aswan over de lotgevallen van de Zwitserse ontdekkingsreiziger Jakob Ludwig Burckhardt die in 1813 de tempel van Abu Simbel had herontdekt. Hij hoopte ook daar fabelachtige schatten te kunnen vinden. Abu Simbel stond dan ook hoog op zijn verlanglijstje van nog te plunderen tempels en was voor hem een ware obsessie geworden dat echter later op een desillusie zou uitdraaien. Reeds voordien in de maand september van het jaar 1815 had hij Abu Simbel met een 'Dahabiya' bezocht. Hij maakte ter plaatse prachtige tekeningen maar kon er helaas niets verrichten. Hij bezocht deze plaats nog vóór zijn plunderingen op de westoever in Luxor en zijn ontmoetingen met Pascha Mohamed Ali om over zijn vernieuwde irrigatie projecten te onderhandelen. Hij was er zogezegd aanwezig als toerist. De waarheid was, dat hij toen reeds plannen smeedde om de ingang die toen volledig onder het zand was bedolven, te bevrijdden. Eén jaar daarna, op 4 augustus 1816 keerde hij terug met voldoende arbeidskrachten en in het gezelschap van de avonturier Henry Beechy en twee Royal Navy kapiteins genaamd Irby en Mangles.


ABU SIMBEL getekend door Belzoni zelfHet duurde weken voordat het zand voldoende verwijderd was om de ingang te kunnen bereiken. Bij temperaturen tot 44° Celsius in de schaduw klom Belzoni triomfantelijk door de kleine opening en betrad de tempel van Abu Simbel die sinds eeuwen door het zand was afgesloten. Groot was zijn teleurstelling toen hij ook niks.... maar dan ook niks van waarde vond. Geen goudschatten, geen beelden om te transporteren. Hij liep daar waarschijnlijk te vloeken en te ketteren in zijn lokaal Italiaans dialect. Maar niet getreurd dacht Belzoni. Hij keerde naar Luxor en Cairo terug, om nieuwe strooptochten te organiseren. Ook zijn poging om schatten te vinden in de piramide van Khafre mislukte jammerlijk. Hij vond na enkele weken reeds de hoofdingang en trof alleen een lege koningskamer aan. De huidige benaming ABU SIMBEL vindt zijn oorsprong in de vaderlijke gevoelens die Belzoni voor een weesje koesterde die meehielp met het verwijderen van het woestijnzand tijdens de wekenlange werkzaamheden in en rond de tempel gewijd aan Ramses II. Het jongetje was zwak begaafd en kreeg als bijnaam "simpeltje". Daar Belzoni als een vervangend vader voor hem fungeerde werd zijn bijnaam in het Arabisch "Abu Simble". De letterlijke vertaling was dus "Vader (abou) van Simpeltje". Later werd het verbasterd tot de huidige benaming Abu Simbel. De oude benaming Ipsamboel die Amelia Edwards tijdens haar verblijf vaak gebruikte in haar opus magnum "A 1.000 miles up the Nile" verdween mettertijd.


In de Vallei der Koningen op de westoever ontdekte hij op 18 oktober 1817 de graven van Ramses I en zijn zoon Seti I. Ook roofde hij de sarcofaagdeksel uit het graf van Ramses III die zijn opdrachtgever Henry Salt later als een appeltje voor de dorst voor veel geld aan privé verzamelaar Sir John Soane verkocht. Na diens dood werd de sarcofaagdeksel aan het Fitzwilliam Museum geschonken. Belzoni kreeg toen het lumineuze idee om het graf van Seti I volledig te kopiëren. Helaas gebruikte hij daarvoor een zeer destructief middel, namelijk gipsafdrukken die de frêle kleuren van het graf beschadigden. Nu had hij voldoende materiaal om in Engeland en Europa een reizende tentoonstelling te organiseren met de bedoeling om hieruit klinkende munt te slaan. Hij verliet Egypte voorgoed in 1819 en reisde eerst naar Padua zijn geboortestad waar hij rijkelijk met eerbewijzen en gouden medailles werd overstelpt. Behalve zijn plunderdrang bezat Belzoni ook een verlangen om beroemd en onsterfelijk te worden. Hij wilde de geschiedenis ingaan, als iemand die grootse daden verricht had. Hij was een begenadigd artiest en tekende hij bijna alle monumenten die hij bezocht had (en nadien roofde).


Bij zijn terugkeer naar Engeland in 1819 huurde hij John Murray in als ghostwriter om zijn opus magnum "Narrative of the operations and.......in Egypt and Nubia"  te publiceren met als illustraties zijn zelfgemaakte etsen en lithografieën. De verkoop van deze bestseller in 1820 was zo succesvol dat spoedig een Franse vertaling zou volgen die met evenveel succes werd verkocht. De eerste voorstelling van zijn rondreizende show vond met succes plaats in Picadilly Circus (Londen) op 1 mei 1921 in de daarvoor speciaal gebouwde Egyptian Hall. Het pronkstuk van de tentoonstelling was de replica van het graf van Seti I die hij zelf ontdekt en gekopieerd had. Ironisch genoeg kon men toen de hiëroglyfen nog niet lezen. Het jaar daarop zou de briljante linguïst  Jean-François Champollion in het jaar 1822 de hiëroglyfen ontcijferen en was de replica van het graf van Seti I het perfecte studieobject om de ontcijfering code op zijn juistheid te toetsen. Belzoni werd geridderd en opgenomen als 'fellow member' in de London Society. Op de foto: een bewerkte moderne versie door Alberto Siliotti.


 Belzoni begon het rijkeluisleventje in Engeland stilaan beu te worden. Hij miste het avontuur en de kick die hij telkens kreeg bij het stelen van Oud Egyptische monumenten. Hij trok op avontuur en koos als bestemming Noordwest Afrika waar hij hoopte om de bronnen van de Niger te ontdekken. Helaas liep de expeditie voor hem faliekant af daar hij in Benin dysenterie opliep. Op 3 december 1923 overleed hij door uitputting in het plaatsje Gwato (Benin). Hij werd ter plaatse begraven in een simpele kuil onder een Arasmaboom. Achttien maanden later ontving zijn echtgenote Sarah zijn vrijmetselaars ring waarmee hij altijd zijn documenten signeerde. Tot die tijd weigerde ze te geloven dat haar man waarmee zij zoveel avonturen in Egypte had meegemaakt, plotseling en totaal onverwacht was gestorven. Ze schreef op 15 juni 1825 naar haar vriendin de novellist Jane Porter, in één van haar brieven, de volgende mededeling: "Ik heb eindelijk de fatale ring in mijn bezit gekregen. Diep in mijn hart leefde er nog een sprenkeltje hoop totdat de vervloekte ring hieraan voorgoed een eind maakte" .  Ze liet 'In Memoriam' een gravure maken (zie hierboven) waarop Belzoni te zien is die vreedzaam vanuit de hemel al zijn ontdekkingen aanschouwt (de Memnon buste, de Karnak arm, het hoofd van Amenhotep II). De slang die in de sarcofaag kruipt en met zijn onderlichaam rond de Philae obelisk kronkelt, staat symbool voor zijn ongelukkige dood in Benin en de bedrieglijke transacties van opdrachtgever Henri Salt. Na de dood van haar man leefde Sarah in armzalige omstandigheden verder maar bleef ze trouw aan zijn herinnering. Ze overleed in 1870. Nu waren de 'meesterdief' (Giovanni Belzoni), zijn vrouw (Sarah) en de kok (James Curtin) dood en begraven. De egyptologie zou in zijn lange geschiedenis nooit meer zo avontuurlijk en spannend worden als ten tijde van deze mengeling avant-la-lêttre van 'Indiana Jones' meets 'Howard Carter'.