ABU SIMBEL

GESCHIEDENIS

INTRODUCTIE | PLAN | GESCHIEDENIS | DE 4 KOLOSSEN | DE GROTE TEMPEL | DE KLEINE TEMPEL | KOEPEL | GRAF



 

RAMSES II (1279-1212 v.C. 19de Dynastie) heeft in Boven- en Beneden Egypte talrijke tempels en heiligdommen opgericht, meestal om zich zelf te verheerlijken of om zijn macht tentoon te spreiden. Om de Nubiërs en de nomaden die in de Nubische woestijn woonden te imponeren, gaf hij de opdracht om een reusachtige tempel te bouwen. IOENY toen onderkoning van Nubië, werd met deze klus opgezadeld. Zijn opvolger onderkoning Hekanacht voltooide uiteindelijk beide tempels. In totaal heeft RAMSES II zeven tempels gebouwd in Nubië. De kleine tempel die aan HATHOR en tevens aan zijn lievelingsvrouw NEFERTARI was gewijd, werd gebouwd tussen RAMSES II's 26ste en 34ste regeringsjaar.



     

In 1269 v.C. werd begonnen aan de bouw van de grote tempel, gewijd aan de oud Egyptische rijksgoden  AMON-RA en RA-HORACHTI. Om de toorn van de hogepriesters niet op te wekken werd dit megalomane bouwproject zover mogelijk van THEBE uitgevoerd. Daar de machtige priesters hier geen controle konden uitoefenen, had hij de absolute vrijheid om zichzelf te vergoddelijken te midden van de andere afgebeelde goden. RAMSES II heeft na de inhuldiging plechtigheid zijn eigen tempel slechts enkele malen bezocht. Het meest vreemde aspect van deze plaats is, dat er geen enkele nederzetting in de buurt werd aangetroffen van de priesters en de hofhouding die dagelijks de erediensten en offerandes onderhielden zoals in de tempelstad KARNAK steeds gebruikelijk was.


De vier kolossen werden uitgehakt uit een trapeziumvormig rood stuk zandsteen. De hoogte bedraagt 31 meter, de lengte 38 meter en de diepte 55 meter. De architect en chef van de werklieden die dit ongelooflijke huzarenstukje klaarde noemde BAKENCHONSOE. Op de buitenkant van de tempel wordt op een dubbele stele de inhuldigingsplechtigheid uitvoerig vermeld met lofwoorden van onderkoning HEKANACHT voor Ramses II. De thema's in het interieur van de tempel handelen voornamelijk over de slag bij Kadesh (1275 v.C) toen hij de Hittieten en hun koning MUWATTALI versloeg (nabij de rivier de ORONTES in het huidige SYRIË) tijdens zijn 5de regeringsjaar. Daarna sluit hij een vredesverdrag met hen. Op de foto hieronder ziet u een moderne reconstructie van de afbeelding van de Slag bij Kadesh die een natuurgetrouwe kopie is van het origineel in de tempel van Abu Simbel.

 

Of Ramses II daadwerkelijk een overwinning behaalde op de Hittieten is een open vraag. De verliezen aan beide kanten waren zo groot dat men niet kon spreken van een winnaar of een verliezer. Het hoogtepunt van zijn megalomanie is hemzelf gezeten in het heiligste der heiligen als een god te midden van de andere oud Egyptische rijksgoden : zijnde PTAH TATENEN, AMON-RA en RA-HORACHTI.



Huwelijks Stele van Ramses II

De kleine tempel gewijd aan HATHOR is een eerbetoon aan zijn lievelingsvrouw NEFERTARI. De thema's handelen over zijn onsterfelijke liefde voor haar. Daar hij zichzelf vergoddelijkt heeft in zijn eigen tempel wordt NEFERTARI daarom ook afgebeeld als een versmelting van de aardse prinses met de hemelse HATHOR. De muurschilderingen in beide tempels zijn overwegend in bruine pastelkleuren. Desalniettemin zijn de kleuren redelijk goed bewaard gebleven. De muurschildering die de slag bij Kadesh uitbeeldt is de meest gedetailleerde van Boven en Beneden Egypte. Tijdens Ramses II's 31ste regeringsjaar werd de derde kolos beschadigd door een aardbeving. De rechterarm van de derde kolos werd ietwat amateuristisch opgelapt met bakstenen door PASER, die toen onderkoning van Nubië was. De tekst die door onderkoning PASER in het 33ste regeringsjaar van Ramses II aangebracht werd, bevat de gelukwensen en zegening van de god PTAH voor de farao. De tweede kolos scheurde volledig los uit de rots, bij een aardbeving van latere datum. Er werd geen poging meer ondernomen door Ramses II's opvolgers om het beeld terug op zijn plaats te bevestigen daar men gewoonweg niet over het materiaal en de werktuigen beschikte om de restauratie uit te voeren.  


  
Gedurende de volgende eeuwen werd Abu Simbel onder het woestijnzand begraven en wist niemand meer van zijn bestaan. Op 22 mei 1813 herontdekte de Zwitserse avonturier en ontdekkingsreiziger Johann Jakob Ludwig Burckhardt de tempel, die half onder het zand bedolven was. Op 1 augustus 1817 bevrijdde Giovanni Belzoni de tempel gedeeltelijk van het woestijnzand. Zijn bedoelingen waren van minder nobele aard. Hij hoopte fabelachtige schatten te vinden in het interieur van de tempel. Groot was zijn teleurstelling toen hij met lege handen naar Luxor terugkeerde. De huidige benaming ABU SIMBEL vindt zijn oorsprong in de vaderlijke gevoelens die Belzoni voor een weesje koesterde die meehielp met het verwijderen van het woestijnzand tijdens de wekenlange werkzaamheden in en rond de tempel gewijd aan Ramses II. Het jongetje was zwak begaafd en kreeg als bijnaam "simpeltje". Daar Belzoni als een vervangend vader voor hem fungeerde werd zijn bijnaam in het Arabisch "Abu Simble". De letterlijke vertaling was dus "Vader (abou) van Simpeltje". Later werd het verbasterd tot de huidige benaming Abu Simbel. De oude benaming Ipsamboel die Amelia Edwards tijdens haar verblijf heel vaak gebruikte in haar opus magnum "A 1.000 miles up the Nile" verdween.

 

 
ABU SIMBEL
De Schotse kunstenaar David Roberts (1796-1864) maakte ter plaatse in Abu Simbel een prachtige lithografie. Tijdens zijn 2 jaar durend verblijf in Egypte tekende hij bijna iedere tempel die hij tegenkwam. Deze schetsen en studies vormden het basismateriaal voor zijn gehele oeuvre die hij na 1840 verder zou uitwerken. Aansluitend op zijn reis naar Egypte bezocht hij de Sinaï woestijn waar hij prachtige schetsen van het Sint Katherina klooster maakte. Dan vervulde hij zijn jongensdroom door het Heilig Land te bezoeken en intensief de panorama's en de bezienswaardigheden van Jeruzalem te tekenen. Met de grootste omzichtigheid bezocht hij het toen voor Europeanen ontoegankelijke Petra in het huidige Jordanië. Hij eindigde zijn odyssee in Baälbek (Syrië) waar hij zijn mooiste schetsen maakte. Toen hij in 1840 terugkeerde naar Engeland werd hij feestelijk onthaald en overstelpt met onderscheidingen en opdrachten.
 


 
Toen werd het weer een eeuw lang stil rond de tempel. Eind de jaren 50' van deze eeuw dreigde er een nieuw gevaar in de vorm van een algemene vernietiging van deze unieke tempel. In 1960 was men begonnen met de bouw van de nieuwe Sadd-Al-Ali stuwdam onder de bezielende leiding van president Nasser die zo de Nijl wilde temmen en het voedsel- en energietekort hoopte op te lossen. Het zo ontstane 500 km lange kunstmatige stuwmeer zou de tempel volledig onder water zetten. Nasser was niet van plan om deze tempel te redden daar hij al genoeg financiële kopzorgen had met zijn eigen reusachtig bouwproject. 
 

 
Christiane Desroches Noblecourt is nog steeds het boegbeeld van de reddingsoperaties  die door de UNESCO georganiseerd werden die de bedreigde Nubische monumenten van de ondergang heeft gered. Zij is een gereputeerde egyptologe die na haar invloedrijke campagnes reeds vele boeken  heeft geschreven (helaas allemaal in het Frans uitgegeven) over haar persoonlijke ervaringen gedurende de reddingoperaties en de actieve rol die ze in de politieke wereld heeft gespeeld. Haar zoon trad in haar voetsporen en werd eveneens een gereputeerd egyptoloog. Mevrouw Christiane Desroches Noblecourt startte een campagne om de tempel te redden in samenwerking met de UNESCO, die een smeekbede richtte tot alle landen om een oplossing te zoeken. Er werden verschillende reddingsprojecten voorgesteld die echter financieel en technisch niet haalbaar waren. Uiteindelijk werd het Zwitserse plan goedgekeurd dat 40 miljoen dollar zou kosten. In 1964 werd een kofferdam rond de tempel gebouwd om het reeds stijgende water tegen te houden. De tempel werd in 1.036 stukken gezaagd en werd terug opgebouwd 210 meter verder landinwaarts en 65 meter hoger.
   

Doorsnede van de tempelOm de oorspronkelijke heuvel te imiteren werd er een betonnen koepel  gebouwd met een radius van 60 meter en een hoogte van 25 meter . Het span beton van de koepel was berekend voor draagkrachten van meer dan 100.000 ton. In die tijd was het de grootste en de meest massieve betonnen constructie ter wereld dat ooit werd gebouwd. Op 22 januari 1968 waren de werken afgerond en werd de tempel ingehuldigd in het bijzijn van President Nasser en talrijke koningen en presidenten uit alle landen van de wereld. Het einde van de werken viel precies binnen de limiet van het werkschema, daar het wassende water van het Nassermeer reeds de oorspronkelijke locatie had overspoeld. Slechts één belangrijk feit hadden de ingenieurs en wetenschappers over het hoofd gezien.

     

Op de oude locatie verlichtte de zon op 20 februari (kroning van Ramses II) en op 20 oktober (geboorte van Ramses II) de vier beelden in het binnenste van de tempel. Op de nieuwe locatie gebeurt dit vreemd genoeg, twee dagen later (op 22 februari en 22 oktober), daar men geen rekening gehouden had met de nieuwe geografische ligging. Dit bewijst des te meer dat de oude Egyptenaren een ongelooflijke kennis bezaten van de astronomie.